Anti Alles maar volplempen

Duurzame ruimte voor mobiliteit

Hoe kunnen we slim en duurzaam omgaan met de ruimte die we hebben in Nederland? Volgens de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) wordt de vraag hoeveel ruimte we over hebben voor mobiliteit een steeds belangrijker vraagstuk in de stedelijke regio’s. Mooie aanleiding om eens te kijken naar het ruimtegebruik van het spoor.

Het spoor is relatief slank…

Neem bijvoorbeeld het traject Amsterdam-Utrecht. Tussen Abcoude en Breukelen zien we vanuit de lucht dat de A2 grofweg 80 meter breed is en het spoor 40 meter. Het spoor is hier dus twee keer zo ‘slank’ als de snelweg. Maar hoe zit dit ín de steden Amsterdam en Utrecht, waar ruimte natuurlijk veel schaarser is? Dit verdient een uitgebreide analyse. Maar op het eerste gezicht lijkt het spoor daar veel minder ruimte in te nemen dan wegen en parkeerplaatsen. De Gemeente Amsterdam analyseerde eerder ook dat het ruimtegebruik van de auto in de stad vele malen groter is dan dat van andere vervoersmiddelen.

…en biedt veel capaciteit

Tussen Amsterdam en Utrecht rijden nu 10 intercity’s en 4 sprinters per uur. Zij bieden respectievelijk plek aan 1.300 en 1.000 reizigers, dus de totale capaciteit is op dit moment 17.000 reizigers per uur. De vijfbaans A2 heeft een capaciteit van 10.000 voertuigen (waarvan 9.000 personenauto’s) per uur. In theorie is dat capaciteit voor 45.000 personen (vijf personen in een auto), maar met de huidige carsharing ligt het niet hoger dan 10.000. Het spoor biedt hier dus 70% meer reizigerscapaciteit, op de helft van de ruimte. Anders gezegd: het spoor is hier 3,4 keer efficiënter in het gebruik van ruimte voor reizigersvervoer.

Op de drukste trajecten benutten we het spoor goed

Volgens de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse 2017 (NMCA) vinden per jaar 3% van alle verplaatsingen en 9% van alle kilometers plaats per trein. Een jaargemiddelde over heel Nederland zegt echter niet zoveel. Tijdens de spits neemt bijvoorbeeld zo’n 50% van de reizigers tussen de grote steden de trein. Gek genoeg wordt hier in mobiliteitsstudies weinig over gezegd. En dat terwijl juist in de spits capaciteitsknelpunten ontstaan en veel van de investeringen en het ruimtebeslag voor infrastructuur bedoeld zijn om deze knelpunten op te lossen.

…en er is nog meer mogelijk

De NMCA voorspelt flinke groei tot 2040. In de regio’s Noord-Holland en Utrecht 27%-65% meer kilometers op de weg en 30%-53% op het spoor. De NMCA voorspelt ook een toename van files op de weg en knelpunten op het spoor. Het RLI adviseert om geen infrastructuur bij te bouwen, maar in te zetten op ‘slimmer’ en ‘schoner’. Hoe? Vooral door bestaande infra beter te benutten. Bijvoorbeeld door gedragsverandering waardoor we minder tijdens de spits reizen. Veel mensen hebben hun hoop gevestigd op de zelfrijdende auto. Een geweldige ontwikkeling, maar hebben we in de steden wel genoeg ruimte voor al die zelfrijdende auto’s? Het spoor kan gelukkig nog veel groei opvangen, binnen de bestaande fysieke ruimte. Zo kunnen we naar 8 intercity’s en 4 sprinters per uur in de brede randstad tegen 2030. Dat betekent voor het traject Amsterdam-Utrecht zelfs 16 intercity’s per uur: 8 vanuit Amsterdam Centraal en 8 vanuit Amsterdam-Zuid.

Daarvoor zijn innovaties belangrijk…

Om meer treinen op hetzelfde aantal sporen te laten rijden, is een slimme mix van innovaties nodig:

  1. Sporen en wissels herinrichten voor een betere doorstroming. Het nieuwe Utrecht Centraal laat het effect
    hiervan zien: binnen dezelfde fysieke ruimte, en zelfs met één spoor minder, is nu capaciteit voor 50% meer treinen.
  2. Treinen dichter op elkaar laten rijden door het spoor op te delen in kleinere blokken. De overstap naar het nieuwe beveiligingssysteem ERTMS speelt hierbij een belangrijke rol.
  3. Treinen preciezer laten rijden en stoppen. Hiervoor hebben de ‘operators’ in het spoorsysteem ter ondersteuning een ‘automatische piloot’ nodig: de machinist en conducteur om preciezer te rijden, te stoppen en te vertrekken, en de verkeersleider om sneller en preciezer het netwerk te besturen.
  4. Treinen sneller laten optrekken door de spanning op de bovenleiding te verdubbelen van 1.500 naar 3.000 Volt.
  5. Minder storingen door de inzet van slimme sensoren/camera’s en Big Data-technieken. Zo detecteren we storingen eerder en voorkomen we ze zelfs.

…en een frisse blik

Hogere treinfrequenties tussen steden vangen een deel van de groei op. Maar veel van de knelpunten zitten op de korte reisafstanden, in en rond de steden. Daarvoor is het nodig om met een frisse blik naar alle beschikbare infrastructuur en ruimte te kijken. Kunnen we bijvoorbeeld de klassieke grenzen tussen metro, lightrail en heavy rail niet beter loslaten en deze ‘smaken’ spoor slim aan elkaar koppelen? En kunnen we de fiets een nóg grotere rol geven zodat je bijvoorbeeld met je fiets tot op het perron of zo de trein in kan rijden? Dan kunnen we misschien nog slimmer omgaan met onze schaarse ruimte.

Wil jij ons ook helpen om deze klus te klaren? Kijk dan eens rond op deze website of maak een job alert aan.

Chris Verstegen

Hoofd Innovatie ProRail, juni 2018